Een bestaande Work Environment omzetten

Een bestaande Work Environment omzetten

Als Archicad geïnstalleerd wordt op een computer waarop eerdere versies van Archicad geïnstalleerd zijn, komt er de vraag of bestaande werkomgeving(en) ofwel Work Environment Profiles van de vorige versie overgenomen moeten worden. 

In dit artikel wordt uitgelegd welke keuze het best gemaakt kan worden per situatie en welke aanpassingen er eventueel na de installatie nog nodig zijn.

Wat hoort bij de werkomgeving – in het kort

In de werkomgeving of de Work Environment zijn onder andere de instellingen van menu’s, werkbalken, autosave opties, gereedschap vensters en sneltoetsen vastgelegd. 
Er zijn verschillende werkomgevingen beschikbaar: De bouwkundige, de constructieve en de installatietechnische werkomgeving. 
Het Work Environment Profile bestaat uit zes subprofielen (Schemes), die elk apart kunnen worden bewaard en overgenomen: 
  1. User Preference Schemes 
    Algemene instellingen specifiek voor gebruikers of computers
  2. Company Standards Schemes 
     Bedrijfsstandaard, met name gericht op locatie van bestanden
  3. Shortcut Schemes 
     Sneltoetsen
  4. Tool Schemes 
    Opzet van de Toolbox en de instelling vensters van de gereedschappen
  5. Workspace Schemes 
    Positie en afmeting van vensters op het scherm
  6. Command Layout Schemes 
    Indeling van de Toolbars en Menu’s


Instellingen van onder meer de Master Layouts, Favorieten, Views, Composieten en alle andere attributen worden geregeld in de template. Zie voor meer informatie hierover de volgende artikelen:
  1. Een bestaande template omzetten naar een volgende Archicad versie
  2. De opzet van de Archicad NL (KME) template / De opzet van de Archicad BE (KME) template
  3. De codering van de Archicad template
  4. Zelf een bureautemplate maken

Werkomgeving - Wel of niet overnemen?

Maak voor de installatie een keuze uit onderstaande opties:

A. De standaard meegeleverde werkomgeving(en) gebruiken / aanpassen

Kies voor deze optie als aan een van de volgende voorwaarden van toepassing is:
  1. Er is in de vorige versie(s) niet bewust voor gekozen om zelf een werkomgeving aan te maken
  2. Er weinig of geen ervaring met het instellen van de Werkomgeving is
  3. Er weinig aanpassingen zijn gedaan in de met een eerdere versie meegeleverde werkomgeving (bijvoorbeeld alleen eigen sneltoetsen)
Ga als volgt te werk:
  1. Kies tijdens de installatie voor “No” als Archicad vraagt om de werkomgevingen te importeren
  2. Voer zonodig eigen aanpassingen door in de nieuwe werkomgeving(en) 
Mocht inmiddels tijdens de installatie wel het profiel overgenomen zijn, kies dan bij het openen van een (nieuw) bestand ‘Standaard Profiel’ met de aanduiding van de laatste Archicad versie, of stel deze in onder Options > Work Environment > Work Environment … . Selecteer hier het gewenste profiel en klik vervolgens op Apply Schemes of Profile.

B. De bestaande werkomgeving overzetten naar de nieuwe versie van Archicad

Overweeg deze optie als veel eigen instellingen in de werkomgeving gemaakt zijn.

Ga als volgt te werk:
  1. Kies tijdens de installatie voor “Yes” als Archicad vraagt om de werkomgevingen te importeren
    Deze werkomgeving wordt dan geïmporteerd en is beschikbaar in de nieuwe versie. Neem de meegeleverde werkomgevingen erbij als documentatie.
  2. Lees dit artikel verder over de verschillende methoden om de nieuwe functie op te nemen in de eigen werkomgeving
Nieuwe functies van Archicad worden niet automatisch in de geïmporteerde (eigen) werkomgeving verwerkt. Lees verder hoe dit aangepast kan worden.

Werkomgeving uit de vorige versie aanpassen

Om de nieuwe functies over te nemen in het eigen profiel zijn er twee methoden:
  1. Het combineren van subprofielen
    Dit is de snelste en eenvoudigste methode die in de meeste gevallen zal volstaan.
  2. Handmatig aanpassen van de subprofielen
    Deze methode wordt geadviseerd als er zeer specifieke aanpassingen zijn gedaan aan de opbouw van menu’s of werkbalken. Deze methode is bestemd voor gebruikers die bekend zijn het instellen van de Werkomgeving.
Uiteraard zijn de beide methoden te combineren.

Methode 1 – Het combineren van subprofielen

Het combineren van subprofielen van verschillende profielen werkt als volgt:
  1. Ga naar Options > Work Environment > Work Environment
  2. Selecteer in Work Environment Profiles het eigen geïmporteerde profiel
  3. Klik op Edit: het hieronder afgebeelde scherm verschijnt 



  4. Pas één of meer van de subprofielen aan
  5. Uit een pull-downmenu zijn de beschikbare profielen te selecteren.
  6. Bevestig de wijziging
  7. Het profiel is nu aangepast
Exporteer dit nieuwe profiel naar een centrale locatie op een server. Het is dan ook op andere werkstations altijd bereikbaar en het wordt in de back-up meegenomen.
Welke subprofielen moeten er aangepast worden?
  1. Alle profielen waarvan een eerdere standaard versie gebruikt wordt:
    1. Kies het gelijknamige profiel van de nieuwste versie
      Deze profielen zullen niet zelf aangepast zijn en hiervoor kan dus het best de laatste versie gebruikt worden
  2. Command Layout Schemes
    De instellingen van de Toolbars en Menu’s bevatten de toegang tot de nieuwe features van Archicad
    Het is daarom beter om hiervoor het subprofiel ‘Standaard Commando’s van de laatste versie te gebruiken en eventueel aan te passen.
  3. Alle profielen die niet bewust zelf zijn aangepast of gewijzigd
Voor de 'Workspace Schemes' geldt dat de instellingen niet in het Work Environment menu kunnen worden ingesteld: deze worden overgenomen van de laatste indeling van het Archicad werkvenster, dus grootte, positie, vorm en aanwezigheid van de vensters. Dit zal dus meestal wel bewust gedaan zijn. Deze hebben (of krijgen) de naam van het opgeslagen profiel.
Bij het overschakelen van een standaard scherm naar een breedbeeld scherm kan het handig zijn om het scherm anders in te delen. Bijvoorbeeld de Infobox verticaal naast de Toolbox. Sla na het aanpassen het profiel opnieuw op onder een nieuwe naam.

Methode 2 – Handmatig aanpassen van de subprofielen

Zijn er specifieke aanpassingen gedaan binnen een subprofiel, dan kunnen de onderdelen van een subprofiel handmatig bijgewerkt worden.
Zijn er slechts weinig eigen aanpassingen gedaan, neem dan eerst het meegeleverde profiel over en pas dit vervolgens aan. Doe dit ook als er gebruik gemaakt wordt van oudere profielen.
De belangrijkste aanpassingen zijn te vinden in de Command Layout Schemes > Toolbars en Command Layout Schemes > Menus
  1. Voor een overzicht van alle nieuwe commando’s:
    1. Klik onder 'List' op het pull-down menu
    2. Selecteer 'All new commands in alphabetical order' voor een compleet overzicht van alleen de nieuwe functies
      In de overige lijstweergaven zijn de nieuwe commando’s in blauw weergegeven.
  2. Toevoegen van de nieuwe commando’s:
    1. Kies aan de rechterzijde onder 'Build or edit this toolbar’ de toolbar waaraan de nieuwe commando’s moeten worden toegevoegd of kies voor ‘New toolbar’ uit het pull-down menu om een nieuwe toolbar aan te maken
    2. Sleep de gewenste commando’s in de bestaande of nieuwe toolbars


Bekijk meer over de installatietechnische werkomgeving in aan de slag met de MEP modeler.